Een boeiend gesprek over rustpauzes, spontaniteit en - voorzichtig! - een lapje grond aan de Middellandse Zee.Introductie
Vorige week hebben we stilgestaan bij de Zaligsprekingen in Matteüs 5, de woorden waarmee Jezus de toespraak tot zijn volgelingen op een berg in Galilea begon.
[JM: De volledige tekst van die preek is (o.m.) te vinden op: http://entgegnung.wordpress.com/
De woorden die we vandaag lezen zijn de voortzetting van die toespraak. Net als Mozes is Jezus daar op een berg, en hij spreek de verbondswoorden van God tot allen die hem volgen. Die woorden zijn dus ook aan ons gericht – hoewel Jezus uiteraard in de eerste plaats de mensen uit zijn eigen volk, Israel, toesprak. Maar toen Matteüs deze woorden van Jezus opschreef, was er inmiddels een grote gemeenschap van gelovigen in Jezus Christus ontstaan – waaraan heel veel Joden deelnamen, maar ook duizenden en duizenden niet-Joden. Heidenen.
Opmerkelijk in die zaligsprekingen is, dat Jezus mensen die treuren, en nederig zijn, mensen die zachtmoedig zijn, mensen die omwille van hem vervolgd worden, gelukkig prijst. Voor mensen die hem volgen is het koninkrijk der hemelen; zij zullen de aarde beërven; die mensen zullen God zien en kinderen van God genoemd worden. Heel opvallend is, we zagen dat vorige week, dat Jezus daarbij met geen woord rept over de wetten van Mozes. In wezen zette Jezus zichzelf in de plaats van die wetten van Mozes. Het ging niet meer om je houden aan alle 613 geboden en verboden uit de wet, maar het gaat om het volgen van
Jezus, zagen we.
Dan blijft je natuurlijk wel zitten met de vraag: hoe ging Jezus dan om met die wetten van Mozes? Daar gaan we vandaag naar kijken. Maar eerst nog iets over de woorden die Jezus sprak over de mensen die daar voor hem zaten, die aan zijn lippen hingen... Jezus noemde hen het zout van de aarde en het licht van de wereld – en die woorden vormen een mooi slot van de zaligsprekingen, en een overgang naar ons onderwerp van vandaag – de wet.
2. Zout en licht (vs. 13-16)
Jullie zijn het zout van de aarde. Toen er nog geen koelkasten waren, was zout het middel om te voorkomen dat je eten ging bederven. Zeker in het warme klimaat van Israël was dat van groot belang. Het werd ook gebruikt om smaak aan het eten te geven. Mensen die zoutarm moeten eten vanwege hun gezondheid klagen daar vaak steen en been over. Rond de Dode Zee – dat enorme zoutmeer ten zuidoosten van Israël, werd veel zout gewonnen in de tijd van onze Heer Jezus. Dat zout werd in Israël gebruikt om het eten te bewaren en om het smakelijk te maken. Er werd ook wel zout gewonnen dat minder bruikbaar was, als het teveel was vermengd met zand; dat zout werd gebruikt om paden en wegen mee te bestrooien – zodat er geen planten gingen groeien. Het was nergens goed voor dan om door de mensen vertreden te worden.
Met die vergelijking zegt Jezus dat zijn volgelingen een belangrijke functie op aarde hebben. Door hun getuigen van Jezus Christus en hun levensstijl tot eer van God de Vader, houden ze de samenleving smakelijk en houden ze bederf tegen. Volgelingen van Jezus Christus zijn dat zout, maar ze worden ook opgeroepen om het te zijn in de praktijk. ‘Je volgt me?’ vraagt Jezus, ‘Volg me dan ook echt!’ ‘Je luistert graag naar mijn woorden, je bent graag in mijn gezelschap? Doe dan wat ik zeg!’ Dat is wat Christus van ons vraagt. Dat we als volgelingen van Hem, Hem ook echt volgen.
De kerkvader Chrysostomos, die in de vierde eeuw priester was in de stad Antiochië waar Matteüs wellicht zijn evangelie schreef, schreef een commentaar op dit evangelie en zei daarin:
…de persoon die door nederigheid, vriendelijkheid, barmhartigheid en gerechtigheid is gekenmerkt, bouwt geen hek om zijn goede daden. Integendeel, hij zorgt dat deze goede fonteinen overstromen omwille van anderen. Iemand die rein is van hart, een vredestichter, richt zijn leven zo in dat het tot welzijn is van de ander, zelfs als hij wordt vervolgd.’ (Evangelie van Matteüs, Homilie15.7)Wie hem volgt is een gelukkig mens, zei Jezus in de zaligsprekingen. Gelukkig ben je, maar je kunt dan niet in zelfgenoegzaamheid achterover leunen. Je hebt ook een zendingstaak. Dat is het hè? Jezus zegt iets soortgelijks nog op een manier tegen zijn volgelingen: ‘Jullie zijn het licht van de wereld, maar je moet je licht dan ook laten schijnen. Verberg het niet. Wees wie je bent, en wees dat in het publiek. Wie ben je? Mijn volgeling? Laat dat dan maar aan de mensen zien.’ Christus geeft ons de taak om voor andere mensen – voor de hele aarde, voor de wereld, het bederf tegen te houden en om het licht van Christus te laten schijnen – tot eer van God – opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie vader in de hemel. Het gaat om de eer van God. De eer van God onder de volken. Jullie zijn het licht van de wereld, zei Jezus tegen de menigte die naar hem luisterde.
De Farizeeërs die op afstand meeluisterden moeten zich enorm hebben lopen opwinden. Jezus zei allerlei zaken die voor hun totaal niet door de beugel konden. Termen als ‘licht van de wereld’ en ‘eer bewijzen aan de Vader’ die Jezus hier gebruikte, klonken voor de Joden in die tijd als een duidelijke echo van allerlei gedachten uit het Oude Testament. Laat ik een paar verzen uit Jesaja 60 voorlezen: Lees Jes. 60:1-3, 9.
Hoort u de echo van die woorden van Jesaja in de woorden van Jezus? Tegen het toekomstige Jeruzalem zei Jesaja: ‘Volken laten zich leiden door jouw licht’. De Farizeeërs verwachten dat eenmaal de wet van Jeruzalem zou uitgaan als het licht voor de volken. Ze vonden bovendien van zichzelf dat ze al behoorlijk wat licht verspreiden met hun wetgetrouwe levensstijl. Maar Jezus negeert dat allemaal en wijst op die meute op de berg in Galilea, het Galilea der heidenen, zoals Matteüs het noemt, en hij zegt: ‘Jullie zijn het licht voor de wereld.’ Hoe kan Jezus dat nu zomaar tegen zijn volgelingen zeggen?
Op een ander tijdstip zei Jezus van zichzelf: ‘Ik ben het licht van de wereld.’ Ook al zo’n vreemde uitspraak van hem. Kijk eens naar Jesaja 42:6. Daar zegt De HEERE tegen Israël: Lees Jes. 42:6.
Deze woorden die Jesaja tot Israël sprak, worden door Jezus op zichzelf
betrokken. Hij zag zichzelf als de vervulling van al Gods woorden over
Israël, en betrekt deze woorden van Jesaja op zichzelf. ‘Ik ben het licht
van de wereld.’ Hijzelf schonk de wereld het licht van de kennis van God door zijn onderwijs en zijn volmaakte leven, waar Israël juist door zijn wetgeving een enorme muur om zichzelf en om de kennis van God bouwde – waarmee het de volken juist op afstand hield. Paulus zegt in zijn brief aan de gemeente in Rome over het Israël van die tijd: ‘Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’ (Rom. 2:24)
Maar we zagen vorige week al – Jezus wordt ons door Matteüs voorgesteld als het volmaakte Israël – Hij was het Israël zoals God zich dat altijd gewenst had, omdat hij de volle verwerkelijking van de Thora was in zijn eigen leven – het Licht voor de wereld. Maar voor wie hem volgt, geldt vervolgens hetzelfde; door aan Christus verbonden te zijn, ben je ook een zout en een licht – maar je moet dat dan vervolgens ook waar maken in je dagelijks leven.
Jezus zegt tegen die menigte die zich helemaal niet aan de wetten van Mozes hield, dat zij het licht van de wereld zijn. Hij zei dat niet tegen mensen die nauwkeurig de wetten van Mozes hielden. Hoe weet ik dat? Nou, degenen die het echt serieus namen met de wet, de Farizeeën bijvoorbeeld, hadden de vaste stelregel: raak nooit mensen aan die je niet kent. Door een vreemdeling aan te raken, kan je jezelf verontreinigen. Dat idee hadden ze uit de wetten van Mozes. Voor wetgetrouwe Joden waren er veel redenen om zich niet in te laten met groepen mensen die ze niet kenden, want er waren veel manieren om je te verontreinigen. Laat ik een bekend voorbeeld uit de wet van Mozes voorlezen. Lees maar mee: Leviticus 15:19-24, 31.
Een vrouw die ongesteld was, was onrein in Israël. Wie haar aanraakte werd op zijn op haar beurt ook weer onrein, en al raakte je maar iets aan dat door die vrouw was aangeraakt, dan werd je onrein. Dan mocht je de tabernakel, later de tempel, niet in, op straffe van de dood. Vandaar dat de Farizeeën vaak op grote afstand naar Jezus luisterden. Ze konden niet in de buurt van de mensenmassa’s komen die zich rond Jezus verdrongen. Die menigte mensen, die elkaar voortdurend aanraakten, gaven natuurlijk de onreinheid aan elkaar door. Tegen die mensen die niet de wet, maar wel Jezus volgen, zegt onze Heer: ‘Jullie zijn het licht van de wereld.’ Dat is zeer radicale taal van Jezus, een omwerking van de theologie in zijn dagen en een enorme opwaardering van de mensen die hem volgden. Maar voortdurend hangt de vraag in de lucht... ‘Maar de wetten van Mozes dan!’
3. Niet afschaffen, maar tot vervulling brengen (vs. 17-20)
Wordt vervolgd.





