maandag 17 augustus 2009

Jezus en de Wet, Mat. 5:13-26 - Preek Christengemeente Soest, Rev. Dr. Jos M. Strengholt, 16 augustus 2009 - deel II.

Een boeiend gesprek over rustpauzes, spontaniteit en - voorzichtig! - een lapje grond aan de ­Middellandse Zee.

Introductie
Vorige week hebben we stilgestaan bij de Zaligsprekingen in Matteüs 5, de woorden waarmee Jezus de toespraak tot zijn volgelingen op een berg in Galilea begon.
[JM: De volledige tekst van die preek is (o.m.) te vinden op: http://entgegnung.wordpress.com/

De woorden die we vandaag lezen zijn de voortzetting van die toespraak. Net als Mozes is Jezus daar op een berg, en hij spreek de verbondswoorden van God tot allen die hem volgen. Die woorden zijn dus ook aan ons gericht – hoewel Jezus uiteraard in de eerste plaats de mensen uit zijn eigen volk, Israel, toesprak. Maar toen Matteüs deze woorden van Jezus opschreef, was er inmiddels een grote gemeenschap van gelovigen in Jezus Christus ontstaan – waaraan heel veel Joden deelnamen, maar ook duizenden en duizenden niet-Joden. Heidenen.

Opmerkelijk in die zaligsprekingen is, dat Jezus mensen die treuren, en nederig zijn, mensen die zachtmoedig zijn, mensen die omwille van hem vervolgd worden, gelukkig prijst. Voor mensen die hem volgen is het koninkrijk der hemelen; zij zullen de aarde beërven; die mensen zullen God zien en kinderen van God genoemd worden. Heel opvallend is, we zagen dat vorige week, dat Jezus daarbij met geen woord rept over de wetten van Mozes. In wezen zette Jezus zichzelf in de plaats van die wetten van Mozes. Het ging niet meer om je houden aan alle 613 geboden en verboden uit de wet, maar het gaat om het volgen van
Jezus, zagen we.

Dan blijft je natuurlijk wel zitten met de vraag: hoe ging Jezus dan om met die wetten van Mozes? Daar gaan we vandaag naar kijken. Maar eerst nog iets over de woorden die Jezus sprak over de mensen die daar voor hem zaten, die aan zijn lippen hingen... Jezus noemde hen het zout van de aarde en het licht van de wereld – en die woorden vormen een mooi slot van de zaligsprekingen, en een overgang naar ons onderwerp van vandaag – de wet.

2. Zout en licht (vs. 13-16)
Jullie zijn het zout van de aarde. Toen er nog geen koelkasten waren, was zout het middel om te voorkomen dat je eten ging bederven. Zeker in het warme klimaat van Israël was dat van groot belang. Het werd ook gebruikt om smaak aan het eten te geven. Mensen die zoutarm moeten eten vanwege hun gezondheid klagen daar vaak steen en been over. Rond de Dode Zee – dat enorme zoutmeer ten zuidoosten van Israël, werd veel zout gewonnen in de tijd van onze Heer Jezus. Dat zout werd in Israël gebruikt om het eten te bewaren en om het smakelijk te maken. Er werd ook wel zout gewonnen dat minder bruikbaar was, als het teveel was vermengd met zand; dat zout werd gebruikt om paden en wegen mee te bestrooien – zodat er geen planten gingen groeien. Het was nergens goed voor dan om door de mensen vertreden te worden.

Met die vergelijking zegt Jezus dat zijn volgelingen een belangrijke functie op aarde hebben. Door hun getuigen van Jezus Christus en hun levensstijl tot eer van God de Vader, houden ze de samenleving smakelijk en houden ze bederf tegen. Volgelingen van Jezus Christus zijn dat zout, maar ze worden ook opgeroepen om het te zijn in de praktijk. ‘Je volgt me?’ vraagt Jezus, ‘Volg me dan ook echt!’ ‘Je luistert graag naar mijn woorden, je bent graag in mijn gezelschap? Doe dan wat ik zeg!’ Dat is wat Christus van ons vraagt. Dat we als volgelingen van Hem, Hem ook echt volgen.

De kerkvader Chrysostomos, die in de vierde eeuw priester was in de stad Antiochië waar Matteüs wellicht zijn evangelie schreef, schreef een commentaar op dit evangelie en zei daarin:
…de persoon die door nederigheid, vriendelijkheid, barmhartigheid en gerechtigheid is gekenmerkt, bouwt geen hek om zijn goede daden. Integendeel, hij zorgt dat deze goede fonteinen overstromen omwille van anderen. Iemand die rein is van hart, een vredestichter, richt zijn leven zo in dat het tot welzijn is van de ander, zelfs als hij wordt vervolgd.’ (Evangelie van Matteüs, Homilie15.7)
Wie hem volgt is een gelukkig mens, zei Jezus in de zaligsprekingen. Gelukkig ben je, maar je kunt dan niet in zelfgenoegzaamheid achterover leunen. Je hebt ook een zendingstaak. Dat is het hè? Jezus zegt iets soortgelijks nog op een manier tegen zijn volgelingen: ‘Jullie zijn het licht van de wereld, maar je moet je licht dan ook laten schijnen. Verberg het niet. Wees wie je bent, en wees dat in het publiek. Wie ben je? Mijn volgeling? Laat dat dan maar aan de mensen zien.’ Christus geeft ons de taak om voor andere mensen – voor de hele aarde, voor de wereld, het bederf tegen te houden en om het licht van Christus te laten schijnen – tot eer van God – opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie vader in de hemel. Het gaat om de eer van God. De eer van God onder de volken. Jullie zijn het licht van de wereld, zei Jezus tegen de menigte die naar hem luisterde.

De Farizeeërs die op afstand meeluisterden moeten zich enorm hebben lopen opwinden. Jezus zei allerlei zaken die voor hun totaal niet door de beugel konden. Termen als ‘licht van de wereld’ en ‘eer bewijzen aan de Vader’ die Jezus hier gebruikte, klonken voor de Joden in die tijd als een duidelijke echo van allerlei gedachten uit het Oude Testament. Laat ik een paar verzen uit Jesaja 60 voorlezen: Lees Jes. 60:1-3, 9.

Hoort u de echo van die woorden van Jesaja in de woorden van Jezus? Tegen het toekomstige Jeruzalem zei Jesaja: ‘Volken laten zich leiden door jouw licht’. De Farizeeërs verwachten dat eenmaal de wet van Jeruzalem zou uitgaan als het licht voor de volken. Ze vonden bovendien van zichzelf dat ze al behoorlijk wat licht verspreiden met hun wetgetrouwe levensstijl. Maar Jezus negeert dat allemaal en wijst op die meute op de berg in Galilea, het Galilea der heidenen, zoals Matteüs het noemt, en hij zegt: ‘Jullie zijn het licht voor de wereld.’ Hoe kan Jezus dat nu zomaar tegen zijn volgelingen zeggen?

Op een ander tijdstip zei Jezus van zichzelf: ‘Ik ben het licht van de wereld.’ Ook al zo’n vreemde uitspraak van hem. Kijk eens naar Jesaja 42:6. Daar zegt De HEERE tegen Israël: Lees Jes. 42:6.

Deze woorden die Jesaja tot Israël sprak, worden door Jezus op zichzelf
betrokken. Hij zag zichzelf als de vervulling van al Gods woorden over
Israël, en betrekt deze woorden van Jesaja op zichzelf. ‘Ik ben het licht
van de wereld.’ Hijzelf schonk de wereld het licht van de kennis van God door zijn onderwijs en zijn volmaakte leven, waar Israël juist door zijn wetgeving een enorme muur om zichzelf en om de kennis van God bouwde – waarmee het de volken juist op afstand hield. Paulus zegt in zijn brief aan de gemeente in Rome over het Israël van die tijd: ‘Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’ (Rom. 2:24)

Maar we zagen vorige week al – Jezus wordt ons door Matteüs voorgesteld als het volmaakte Israël – Hij was het Israël zoals God zich dat altijd gewenst had, omdat hij de volle verwerkelijking van de Thora was in zijn eigen leven – het Licht voor de wereld. Maar voor wie hem volgt, geldt vervolgens hetzelfde; door aan Christus verbonden te zijn, ben je ook een zout en een licht – maar je moet dat dan vervolgens ook waar maken in je dagelijks leven.

Jezus zegt tegen die menigte die zich helemaal niet aan de wetten van Mozes hield, dat zij het licht van de wereld zijn. Hij zei dat niet tegen mensen die nauwkeurig de wetten van Mozes hielden. Hoe weet ik dat? Nou, degenen die het echt serieus namen met de wet, de Farizeeën bijvoorbeeld, hadden de vaste stelregel: raak nooit mensen aan die je niet kent. Door een vreemdeling aan te raken, kan je jezelf verontreinigen. Dat idee hadden ze uit de wetten van Mozes. Voor wetgetrouwe Joden waren er veel redenen om zich niet in te laten met groepen mensen die ze niet kenden, want er waren veel manieren om je te verontreinigen. Laat ik een bekend voorbeeld uit de wet van Mozes voorlezen. Lees maar mee: Leviticus 15:19-24, 31.

Een vrouw die ongesteld was, was onrein in Israël. Wie haar aanraakte werd op zijn op haar beurt ook weer onrein, en al raakte je maar iets aan dat door die vrouw was aangeraakt, dan werd je onrein. Dan mocht je de tabernakel, later de tempel, niet in, op straffe van de dood. Vandaar dat de Farizeeën vaak op grote afstand naar Jezus luisterden. Ze konden niet in de buurt van de mensenmassa’s komen die zich rond Jezus verdrongen. Die menigte mensen, die elkaar voortdurend aanraakten, gaven natuurlijk de onreinheid aan elkaar door. Tegen die mensen die niet de wet, maar wel Jezus volgen, zegt onze Heer: ‘Jullie zijn het licht van de wereld.’ Dat is zeer radicale taal van Jezus, een omwerking van de theologie in zijn dagen en een enorme opwaardering van de mensen die hem volgden. Maar voortdurend hangt de vraag in de lucht... ‘Maar de wetten van Mozes dan!’

3. Niet afschaffen, maar tot vervulling brengen (vs. 17-20)
Wordt vervolgd.

zondag 9 augustus 2009

Een kort bericht

De Bijbel vertaald

Onlangs heb ik een interessant artikel gelezen over het Onze Vader. In het boek De Bijbel vertaald (Meinema, 2007) staat een bijdrage van Yvonne van den Akker-Savelsbergh: Het Onzevader in de Nieuwe Bijbelvertaling. Uiteraard gaat dit artikel uitsluitend over de hedendaagse versie vanuit de Griekse grondtekst. De twee moeilijke zinsneden: 'op aarde zoals in de hemel' en 'gelijk wij vergeven onze schuldenaren (NBG)' worden daar besproken.

Ook kwam ik onlangs het esoterische boekje tegen: Gebeden van de kosmos - Meditaties over het Onze Vader in het Aramees. Eveneens interessant, zij het van een heel andere orde. Wat daarin staat over vergeven, vond ik erg mooi. De relatie tussen de voorwaarde van het vergeven door God, het indien wij zelf vergeven, kwam helaas niet goed uit de verf, maar wel een reeks fraaie volzinnen over wat vergeven werkelijk is.

Deze week zijn wij er weer aan herinnerd hoe moedig, maar tegelijkertijd zeer noodzakelijk, echt vergeven is. In dagblad Trouw - van afgelopen zaterdag - een mooi artikel en heldere analyse over de zin van daadwerkelijk vergeven, naar aanleiding van de dood van Ferdie E., de moordenaaar van Gerrit-Jan Heijn. Ik geef het maar ter overweging.
Leest u het op internet eens na. Ik ga er misschien ook iets over schrijven bij mijn boekbespreking van het boek De derde Jezus van New-Ager Deepak Chopra op: http://entgegnung.wordpress.com/2009/06/01/deepak-chopra/

maandag 1 juni 2009

Inleiding op de bergrede (vervolg van intro in de kantlijn)

Carl Heinrich Bloch (1834-1890)

De bergrede van Jezus is geen standaard preek voor een gewone zondagmorgen. Nee, het is een explosief verhaal dat ons door de evangelisten overgeleverd is. Een overweldigende symphonie van gedachten die ons hart raakt. Christenen en niet-christenen laten zich er door inspireren. Voor de laatste groep is misschien het enige probleem dat deze tekst in de bijbel staat. Het liefst zou men deze rede willen losweken van de bijbelse context. En komen christenen wellicht ook niet in de verleiding wat water bij deze al te sterke wijn te doen?

De bergrede is een mooi ijkpunt voor een goed gesprek over persoonlijke ethiek, christelijke religiositeit en ideale maatschappelijke verhoudingen. Wie kan de schrijnende verschillen nog verdedigen, zo men dat al zou willen, tussen de rijke westerse wereld en de post-koloniale hongergebieden elders op onze planeet? Van een derde wereld durf ik niet meer te spreken, want volkstammen elders zijn vele malen rijker dan jij en ik in het kwadraat... Zelfs de macht van de olie (Shell) en onze ongelimiteerde materiële behoeften (mobieltjes incluis) komen door de woorden van Jezus in de beklaagdenbank.
En hoe zit het met kwesties als abortus, overspel, persoonlijke integriteit en de toenemende individualisering? Oplossingen voor al deze problemen zijn niet eenvoudig te geven. Er moet de wil zijn van 'kerk en staat' ons te bekeren en indien mogelijk ons te bekennen tot de geloofsgemeenschap rondom Jezus. Hoe dat in concreto vorm te geven, wordt in de bergrede niet één-twee-drie uit de doeken gedaan. Verstaan wij de taal van het hart nog wel? Laten we in ieder geval niet te snel naar politieke oplossingen zoeken. Dat persoonlijk machtsstreven en onmenselijke hiërarchieën tussen mensen onderling (ook onder christenen) grote hinderpalen zijn voor 'een betere wereld', zou ons na (her)lezing van de bergrede goed duidelijk mogen zijn.

Toch iets over de politiek. In het Nederlands Dagblad van 23 mei 2009 staat een lang interview met Frits Bolkenstein over zijn zorg over het gebrek aan een bezielend verband van het verenigde Europa, dat steeds meer verwijderd raakt van zijn christelijke oorsprong. Bolkenstijn noemt zichzelf met onverholen trots een cultuurchristen. Uit onderzoek zou blijken (Universiteit van Tilburg) dat er geen set van gezamenlijke Europese waarden is. Bolkenstijn verdedigt echter de legitimitiet om te spreken over joods-christelijke waarden.

Citaat: "Ik vind het terecht dat er over joods-christelijke waarden gesproken wordt, omdat jodendom en christendom nauw verbonden zijn met de Europese geschiedenis. En je kunt die joods-christelijke waarden ook best concreet maken, hoewel dat afhankelijk is of je ze horizontaal of verticaal invult. Horizontaal kun je aan de Bergrede denken en aan het zich inzetten voor de naaste. Ontwikkelingssamenwerking komt uit het christendom voort, hoewel ik daar zelf wel kritisch op ben. Verticaal – en dat is in mijn ogen meer een paulinische variant, maar ik ben slechts een halve theoloog – betekent het christendom het geloof dat Jezus geboren is met het vooropgezette doel om voor de zonden van de mensen te sterven. Verder hebben de Tien Geboden en het christelijke liefdesgebod onze cultuur natuurlijk gestempeld."

Zie: http://www.nd.nl/artikelen/2009/mei/22/bolkestein-moslims-geen-recht-op-eigen-scholen

In diezelfde zaterdageditie (ND) stond een scherpe column van Wim H. Dekker over het vrijheidsbegrip in relatie tot het politiek-liberale gedachtengoed. Bij Dekker komt de apostel Paulus gelukkig stukken beter uit de verf dan bij Bolkenstijn.

Citaat: "De apostel Paulus verbindt vrijheid nadrukkelijk met waarheid, gerechtigheid en gemeenschap. Het individu ontleent zijn betekenis aan het lichaam van Christus. Van oudsher waren politieke ideologieën als het socialisme en het liberalisme zich ook bewust van de relativiteit van het individu. Het persoonlijke heeft waarde, maar een groot deel daarvan wordt bepaald door de bijdrage van het individu aan het geheel. De aanhangers van het nieuwe vrijheidsbegrip kunnen daar niet zoveel mee. Mensen als Verdonk, Wilders of Berlusconi hebben begrippen als waarheid, gerechtigheid en gemeenschap geschrapt uit hun woordenboek. Alles en iedereen wordt in dienst gesteld van de eigen narcistische wil."

Zie: http://www.nd.nl/artikelen/2009/mei/22/-personalityis-wat-wij-zoeken-/

Het voorgaande laat zien, dat er in de beleving van velen een spanningsveld zit tussen Jezus versus Paulus met betrekking tot leer en leven. Maar let op, dat is altijd een valse tegenstelling. In dit verband wil ik een reactie citeren van Jos Strengholt, te vinden elders op deze site:

"...ik denk dat er helemaal geen 'stress' is tussen Jezus en diens apostelen. Ten eerste, het waren de apostelen zelf die de evangelien te boek stelden. Zou wel heel dom van ze zijn als ze daarin een andere Jezus presenteerden dan die ze zelf verkondigden.

Maar een inhoudelijker reactie - juist nu ik bezig ben een korte prekenserie voor te bereiden over Mattheus 5, valt me weer extra op, dat van alles wat Jezus daar zegt op ethisch gebied, de apostelen echt precies hetzelfde zeggen. Daar is geen breuk of naad te ontdekken.

Dus als je al zegt dat Jezus een lieve ethiek preekte, waar de apostelen een theologie van maakten, volgens mij zit je dan glad mis. De apostelen preekten dezelfde ethiek.

En om Jezus als een zedeprediker voor te stellen, een zondagsschoolleraar, dat is OOK een miskenning van wat hij leerde. Want hij onderwees zeer duidelijk theologie - en hoe kan iemand ontkennen dat hij onderwees dat hij lijden moest omwille van de mensheid? Hij is daar zo klip en klaar over.

Als je de woorden van Jezus in hun Joodse context leest, dan is zeer duidelijk dat hij spreekt over theologie. Hij neemt continue stelling over vragen als wie God is, wie behouden wordt, etc."

Met dank aan Jos voor zijn heldere toelichting.
De bergrede is als de negende symphony van Beethoven en van Dvorak. Deze composities verwonderen en brengen menigeen in vervoering. Tegelijkertijd daagt de bergrede ons uit en maakt ons zelfs onrustig, want ontegenzeglijk overtuigt deze preek je ook van je eigen onvermogen. Zoals genoemde composities je doen verlangen naar nieuwe werelden van schoonheid en broederschap, zo opent de bergrede ons een wijds perspectief naar een nieuwe wereld in een nieuwe toekomst. Een paradijs dat in al zijn hemelse pracht tegelijkertijd herkenbaar aards is. En temidden van die overweldigende ervaring mogen we bij Jezus komen en onder Zijn gehoor mogen wij ons laten inspireren.

Tot besluit een getuigenis: http://newtestamentperspectives.blogspot.com/2009/05/reflections-on-beatitudes-from-jungles.html

zaterdag 30 mei 2009

Leer en leven op gespannen voet?

Once in a while, of eigenlijk best vaak, kom ik discussies op internet tegen over het streven en de alom gevoelde onmacht, om het evangelie handen en voeten te geven. Hoe maken wij 'als kerk' de boodschap van Jezus Christus maatschappelijk relevant?
Diverse invalshoeken zijn denkbaar, maar ik wil voor nu slechts de aandacht vestigen op de site van de Internet Monk. Klik HIER voor het artikel. Ik kom er een andere keer misschien op terug.

Eerder schreef ik het volgende:
Wat mij persoonlijk aangaat, heb ik een soort van ongrijpbare haat-liefde verhouding met de bergrede. Of eigenlijk moet ik zeggen, met de wijze waarop er door verschillende mensen (lees: theologen) over is geschreven.

Als je met de 'Studies in the Sermon on the Mount' van D. Martyn Lloyd-Jones bent opgegroeid, dan beleef je de bergrede waarschijnlijk totaal anders dan wanneer je bent grootgebracht met 'Meer dan het gewone - over Jezus en zijn bergrede' van Feitse Boerwinkel. Toevallig heb ik beide boeken in mijn rugzakje en daar kun je behoorlijk van in de war raken, want qua sfeer, intentie en theologie zijn het twee totaal verschillende benaderingen. Mijn exemplaar van Boerwinkels boek is de zevende druk, d.w.z. inclusief de bijlage: Antwoord op kritische opmerkingen.

Naar mijn mening kunnen Nederlandse lezers niet met goed fatsoen om de doorleefde studie van Boerwinkel heen, maar ik vind het tegelijkertijd een tenenkrommend boek. Deze opmerking verplicht mij natuurlijk tot enige uitleg, maar dat is moeilijk en tijdrovend. Laat ik er dit van zeggen. De aap komt wat mij betreft uit de mouw als we de hoofdstukken lezen over de praktische toepassing van de bergrede. Boerwinkels sympathie lijkt met name te liggen bij theologen als Dorothee Sölle, Roger Schutz en Albert Schweitzer, met en passant een drietal knipogen naar moeder Theresa, Martin Luther King en Mahatma Ghandi. Daarmee week je de bergrede naar mijn mening bewust los van 'de bijbelse Heilsgeschichte, een geschiedenis van Gods machtige reddende akties' (quote: John R.W. Stott in: Zending in de moderne wereld). John Stott schreef natuurlijk ook het welbekende Christian Counter-Culture - The Message of the Sermon on the Mount. Pas enkele jaren geleden vertaald en uitgegeven in het Nederlands (BSV-serie, Novapres).
Alle drie de boeken zijn overigens, met slechts drie jaar tijdverschil, geschreven midden jaren zeventig van de vorige eeuw.

Ik ben blij dat Boerwinkel (bij de Aantekeningen) de titel van zijn boek ter discussie stelt, en wel op grond van het werk van Hans Küng. "Iemand heeft mij erop gewezen dat de titel van mijn studie niet Meer dan het gewone, maar liever Anders dan het gewone had moeten luiden. Dat is juist." Voor de betekenis hiervan leze men volgende postings...

Met een poëtisch slotakkoord in Meer dan het gewone lijkt Boerwinkel te willen zeggen dat als je maar genoeg sympathie hebt voor de bergrede en je maatschappelijk gedrag er in voldoende mate door wordt beïnvloed, dat het hogere doel van het Meerdere dan wel het Andere daarmee is bereikt. Ook al vind ik zijn apotheose uitermate dubieus en exegetisch onverantwoord, toch wil ik ermee eindigen. Dit omdat zijn conclusie anno 2009 nog steeds actueel is en deze voldoende stof tot discussie biedt voor volgende postings :-)

"We beleven wel een bijzondere tijd als hindoes, moslims, christenen en joden zó worden aangesproken door de persoon van Jezus en zijn bergrede, dat men onwillekeurig wordt herinnerd aan wat Paulus schreef aan zijn jonge viend Timotheus (2 Tim.4,8) over 'de krans der rechtvaardigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter mij zal geven, doch niet alleen aan mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad'."

Nawoord.
Dat 'de kerk' door de geschiedenis heen vaak gefaald heeft in het geloofwaardig neerzetten van een 'excellent example of service and love', werd mij onlangs weer eens duidelijk door het lezen van het verontrustend overzichtje op de blog van Marten Knevel, naar aanleiding van een studiedag met de Engelsman Stuart Murray. Meer informatie over dit interessante symposium - van Urban Expresions - klik HIER voor een mooi verslag van Paul Abspoel (met discussie).

vrijdag 1 mei 2009

Milde Bijbelkritiek waarvan je kunt leren

Ongehoord. Christen zijn volgens de Bergrede - Peter Schmidt.
Uitg. Davidsfonds, Leuven 2008. Nederlands Dagblad, 01-05-'09. Artikel intergraal overgenomen. Tekst: Henk de Jong

In dit boek gaat de Leuvense theoloog en Bijbelexegeet Peter Schmidt op zoek naar de dieptedimensie van de Bergrede, in nauw contact met de inzichten van de hedendaagse Bijbelwetenschap. Om de volle waarde ervan te belichten, behandelt hij de hele rede vanuit haar interne, weloverwogen structuur, met het Onze Vader als kern. Het boek is in een goede stijl geschreven. Ik heb zelden een Bijbelkritische studie gelezen die mij zo blij heeft gemaakt met het onderricht van de Meester. Meestal namelijk sluit het een het ander uit.

Eerst even iets over dat Schriftkritische, dat overigens in een milde vorm is gegoten. Het gaat om het volgende. Wanneer we de evangelies naast elkaar lezen kan het opvallen dat er zich eigenaardige verschillen voordoen bij het vertellen van dezelfde dingen. Zo is de bergrede bij Matteüs bij Lucas een veldrede, waarbij de zaligsprekingen bij die twee evangelisten verschillend opgetekend staan. In mijn opleiding destijds werd dat zo verklaard dat Jezus dezelfde dingen bij verschillende gelegenheden gezegd heeft waardoor er én een Bergrede én een Veldrede in de Bijbel staan. Onverklaard bleef daarbij hoe het dan kwam dat Matteüs het bij het weergeven van eigen woorden van de Heer steeds heeft over het koninkrijk der hemelen en Lucas even steevast over het koninkrijk Gods. Of, hoe het kan dat de volgorde van de verzoekingen in de woestijn (Matteüs 4 en Lucas 4) verschillend is. Het zijn verschillen die wijzen op een eigen redactionele inbreng van de evangelisten.
Volgens de moderne Bijbelwetenschap hebben aan de evangelies van Matteüs en Lucas twee bronnen ten grondslag gelegen: het evangelie van Marcus (dat algemeen voor het oudste gehouden wordt) en een verder onbekende bron waarin min of meer ingeklede uitspraken van Jezus opgetekend hebben gestaan. Schmidt spreekt daarom herhaaldelijk over de architect Matteüs.

Eigen inbreng
Ik weet eigenlijk niet goed hoe ik daar tegenover moet staan. Enerzijds reageer ik afwijzend als ik lees dat bepaalde woorden in de letterlijke zin door Jezus niet gesproken of zo niet gesproken zijn, maar ik aarzel weer als dan blijkt (en dat is het milde van deze Schriftkritische benadering) dat we in zulke woorden wel terdege op de Geest van Jezus stuiten.
Dat niet in alle gevallen sprake is van letterlijke citaten van Jezus, zien we in het evangelie van Johannes, waarvan de stijl totaal anders dan die van de andere evangelisten. Johannes vertelt evaluerend wat Jezus gezegd heeft, zo lijkt het. Maar soms gebeurt dat ook elders. Zo geeft Schmidt als voorbeeld een woord in het evangelie naar Matteüs dat Hij hoogst waarschijnlijk niet zelf gesproken heeft: ‘Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw leidsman, de Christus’ (Matteüs 23 : 10). De Meester heeft namelijk nooit over zichzelf als de Christus gesproken. Een eigen inbreng van Mattëus, zou dan de conclusie moeten zijn. Maar wie zou er aan kunnen of willen of durven twijfelen dat wij in dit woord met de mening van de Heer zelf te maken hebben?

Kritiek
Met deze opmerkingen wil ik de lezer gevoelig maken voor reële problemen waar een eerlijke uitleg van de Bijbel voor kan komen te staan. Zo gemakkelijk leidt het woord Schriftkritiek alleen maar tot schrikreacties. Daar is in het verleden ook heel vaak aanleiding toe gegeven. Maar er zijn goede redenen om met een schriftkritiek zoals die hier in dit boek op milde wijze bedreven wordt, mee te denken. Het gaat er toch om een goede verklaring te vinden voor de onderlinge verschillen tussen de evangelies die ook wel eens aanleiding hebben gegeven dat men zich ongelovig van de hele evangelieboodschap afmaakte. Dat mag naar vermogen voorkomen worden.
Over Schriftkritiek gesproken, hebt u wel eens nagedacht over dit zinnetje van Paulus: ‘Oordeelt zelf: is het voegzaam dat een vrouw met ongedekten hoofde tot God bidt?’ (I Kor. 11 : 13) Krinate staat er dan in het Grieks, dat komt van krinein, oordelen, ons woord kritiek komt er vandaan. Ons kritisch oordeel mag zelfs gaan over wat een apostel schrijft. Dat kan zelfs betekenen dat je het met hem oneens bent (zoals in dit geval). Natuurlijk geldt deze uitnodiging tot oordelen niet voor hoofdzaken.

Radicalisering
Graag geef ik nog een voorbeeld van iets dat ik mooi vind in dit boek. Het betreft de bekende antithesen in de Bergrede: ‘gij hebt gehoord dat er gezegd is…, maar Ik zeg u…’. Schmidt legt deze spreekwijze niet uit als antithese of tegenstelling maar als radicalisering. Hij beroept zich daarbij ook op de Nieuwe Bijbelvertaling die dan heeft: ‘En ik zeg zelfs…’ Of we daar als vertaling nu zo gelukkig mee moeten zijn, betwijfel ik (‘Maar Ik ga verder en zeg …’, lijkt mij beter), maar de gedachte erachter is wel juist. Jezus gaat inderdaad verder dan in de aangehaalde bepaling uit de wet of uit de traditie wordt gezegd. De spreekwijze wordt door Schmidt op een gelukkige manier verbonden met een woord van Jezus uit de inleiding van zijn wetsonderricht: ‘‘Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die van de schriftgeleerden en de farizeeërs, zult ge het koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan’’.
Wanneer we in de bekende tegenstellingen blijven denken dan verwerpt de Heiland die rechtsregels en precies dat geeft aan de Bergrede dat onreële waar zoveel mensen terecht over gevallen zijn. Maar de Heiland laat de rechtspraak gewoon zijn werk doen en stelt vervolgens de vraag of we daarmee in het leven kunnen volstaan. Is er niet ‘een weg die veel verder omhoog voert’? Het kan er dan niet om gaan degenen die in de begrijpelijke haat blijven steken te veroordelen. Dat zou onvruchtbaar moralisme zijn. Maar daarom ben ik zo blij met dat woord uitnodigen van Schmidt (p. 170). Jezus nodigt uit om de bodem van het gebod op te zoeken en Hij verwijst daarmee naar een niveau dat aan wet- en regelgeving ontsnapt en enkel naar de wet van de liefde luistert. Dat betekent dat we de gerechtigheid van de schriftgeleerden en de farizeeërs niet hoeven te verachten, maar Jezus heeft gelijk met zijn vraag of dat alles is wat we als kinderen van het koninkrijk in het midden te brengen hebben. De Bergrede wordt zo echt tot een verlossend woord, al had tegelijk de theoloog Noordmans gelijk toen hij van de bergrede zei: het zijn kruiswoorden. Want je oude mens gaat er wel aan als je hiernaar probeert te leven.

Iedere predikant die, bijvoorbeeld voor de middagdienst, een serie preken over de Bergrede voorbereidt, zou ik deze studie wel in handen willen geven. Niet om Schmidt in alles te volgen, maar om zich door zijn verrassende en geestelijke uitleg te laten stimuleren.

dinsdag 14 april 2009

Het onze vader en de hemelse heerlijkheid

Wat is met het geloof in de hemel gebeurd? Veel mensen verklaren niet meer in een hemel te geloven. Hoe kon het zover komen en vallen er oorzaken aan te wijzen? Is het grote Verlangen overbodig geworden omdat mensen genoegen nemen met het kleine geluk van allerlei aardse en tijdelijke genoegens? Wat zijn de gevolgen daarvan en zijn we toe aan een nieuwe ‘Ontdekking van de hemel’? Aan deze bundel is medewerking verleend door Herman Andriessen, Jan Hoek, Ilja Maso, Piet Schelling en Klaas Spronk.
Het Onze Vader, of anders gezegd, Het Gebed des Heren maakt deel uit van de bergrede. Het is goed om daar bij stil te staan. Het boek hier vermeld moet ik (ook) nog lezen. Maar nu (d.w.z. vanavond) ga ik het gebed eerst maar eens bidden. Bidt U mee?

God, de schepper van hemel en aarde, die wij Vader mogen noemen, woont in de 'hemelen'. Waar is de hemel eigenlijk? Ergens in het heelal of mogelijk zelfs daarbuiten? Tegenwoordig spreekt men wel over de hemel als zijnde een plaats in een andere dimensie.
In de hemel is het goed toeven. Daar is geen ziekte, geen ellende en geen dood. De boze heeft er geen toegang en Gods heerlijkheid is overal tastbaar en scheppend aanwezig. De natuur is er van een paradijselijke schoonheid, de kleuren zijn er onaards mooi en onze begrippen tijd en ruimte functioneren er in absolute- en relatieve zin tegelijk. Taalbarrières zijn er niet, noch eenzaamheid, verdriet of doelloosheid. Geen oorlog en geen angst, louter liefde en geborgenheid.

Hoe ik dat allemaal weet? Wel, dat is vrij eenvoudig. Kruipt u zelf eens achter de computer en ga spontaan schrijven over de hemel. Zo ontdekt u de hemel als vanzelf.
Jan Hoek bespreekt de 17e en de 18e eeuw waar het geloof in de hemel net zo reëel was als het leven op aarde. Soms gaat het beschrijven van de hemel zo ver dat het aardse leven zwaar gedevalueerd wordt. Terecht zet Hoek het verschil neer tussen de 17e en de 18e eeuw, waar het leven een voorbereiding op de eeuwigheid was, en de huidige tijd waar we langer leven, maar eigenlijk geen toekomstperspectief meer hebben. Hoek besluit dat hij graag over de hemel mag fantaseren - juist omdat hij gelooft dat het geen fantasie is maar werkelijkheid.

Aldus ds. Marco Wittenberg (predikant CAMA Gemeente Amstelveen) in zijn boekbespreking van Wie kan er aarden hier beneden? in Soteria (1-2009), kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning.
Misschien voor u onbegrijpelijk, maar het nadenken over het allereerste begin en de onbegrensdheid van het heelal heeft mij als 12 á 14-jarige jongen zodanig beziggehouden, dat het daadwerkelijk aan mijn bekering heeft bijgedragen.
- Er is namelijk géén zinnig antwoord denkbaar op de vraag wat er aan de grenzen van het heelal is. En wat daar buiten dan is en vervolgens daar weer buiten. Tot in het oneindige gaat die puzzel voort; tot je er helemaal tureluurs van wordt!
- Ook is er geen enkel antwoord mogelijk op de vraag wanneer het allemaal begon (en hoe). Want, wat was er dan voor het eerste begin (en hoe en waarom begon het dan). Zelfs als je beredeneert (zoals wetenschappers doen) dat de oerknal door een geluidstrilling in gang is gezet (Gods spreken?), dan nog ben je niet aan het begin van een logisch antwoord op de vraag 'maar wat was er daarvoor dan' en wat veroorzaakte die geluidstrilling (en waarom)?

De begrippen tijd en ruimte zijn zo enorm veelomvattend en ongrijpbaar, dat geen sterfelijk mens er ook maar iets in verklarende zin m.b.t. ons bestaan over zeggen kan. Wat ons rest is verwondering en acceptatie dat het leven er is en dat wij bestaan. M.a.w. er moet dus een (acceptabele) verklaring zijn voor dit leven die per definitie volledig buiten ons menselijke begrip- en waarnemingsvermogen ligt. 'It is totally beyond our human comprehension.' Christenen noemen die verklaring God, dan wel Logos.

Het 'toeval' wil nu, dat deze God, of deze Logos, zich aan ons heeft geopenbaard door de geschiedenis van het volk Israël en uiteindelijk in de persoon van Jezus Christus. Daarom zijn christenen geen animisten of filosofen. Animisten maken hun goden en filosofen ontkennen hun goden. Christenen geloven in- en vertrouwen op een persoon, namelijk Jezus Christus; de menswording (incarnatie) van God de Schepper. En het is die Jezus die Zijn volk in het evangelie een gebed gaf om te bidden! En Hij vertelde daarbij, 'jullie Maker mag je Vader noemen, want, jullie zijn Zijn (uitverkoren) kinderen.' Wonderbaarlijk dit alles. Daar kun je alleen maar stil van worden, want begrijpen doen we het toch niet.
Gewoon accepteren dus. Laat ons bidden!

Nawoord
Ik heb mijn best gedaan u niet met theologische bespiegelingen te vermoeien. Mede in verband met de verwarring bij mensen die de Emerging Church Beweging veroorzaakt over het begrip Koninkrijk, vermeld ik het volgende citaat. U moet daarbij in gedachten houden dat het Onze Vader, in de bergrede, primair voor de Joden van toen was bedoeld. Als de Joden Jezus massaal als Messias hadden erkend, dan zou Jezus door de Romeinen (alleen) zijn gekruisigd. De gebeurtenissen in het evangelie vinden feitelijk plaats in een oudtestamentische context. Deze invalshoek kunt u desgewenst zien in relatie tot de zogenoemde bedelingenleer. Voor mij niet onbekend, want toen ik 15 jaar was, het jaar volgend op mijn bekering, las ik de twee (gele) boekjes, van de Vergadering der Gelovigen, die ik bezat over dit onderwerp helemaal stuk.
De wet van Mozes dan wel te verstaan. Het Koninkrijk van Christus had direct aan kunnen breken na Zijn opstanding. Echter door de weigerachtige houding van het volk Israël om de boodschap van het Koninkrijk te aanvaarden, werd het geheimenis van ‘de gemeente’ in het bijzonder door de apostel Paulus geopenbaard, die een periode van ongeveer een twee duizend jaar zou gaan duren. (Zie de verwijzing van de 2 dagen en de 2.000 jaar)
Misschien vindt u dit een wat vreemde wending in mijn verhaal, maar ik zou het beter kunnen onderbouwen met enkele goedgekozen citaten uit het boek Paulus, van onze katholieke broeders in België, van de Vlaamse Bijbelstichting te Leuven, die e.e.a. haarscherp weten uit te leggen en totaal niet onder de indruk lijken te zijn van de bevindingen van E.P. Sanders & co. en verwante ideeën m.b.t. The New Perspective on Paul. Maar als gezegd, we houden het deze keer eenvoudig. Het boek Paulus is uitgegeven bij VBS/ACCO en staat onder redactie van Frans van Segbroeck.

Voor meer informatie hierover zie mijn blog over de Emerging Church. Binnen die beweging probeert men de klassieke rechtvaardigingsleer om te turnen in een soort van (Jehova Getuigeachtige?) Koninkrijkstheologie van 'je hoort er bij en mag er zijn'. Mogelijk vergelijkbaar met de katholieke volkskerk in de Nederlanden van voor de Reformatie. De kerk was groot en je hield je jas aan. Het hele volk kwam er tezamen, zoals nu bij nationale voetbalwedstrijden, maar dan anders :-) Het 'inclusieve' denken als in de vorige eeuw verwoord door de bekende theoloog Feitse Boerwinkel wordt gekoppeld aan een Romantische Sehnsucht naar een thema van 'met elkaar als Gods volk op weg', zoals de Israëlieten in het Oude Testament altijd maar 'op weg' waren. In de Anglicaanse Bisschop N.T. Wright zien de Nederlandse Emergers een groot voorbeeld, ook al is deze zich van de hem toebedeelde positie waarschijnlijk zelf niet bewust. Tom Wright heeft de ideeën van de atheïstisch-liberale E.P. Sanders in ieder geval wel vertaald naar een nieuwe post-modernistische theologie. En daar doelde ik eigenlijk op toen ik verwees naar het boek Paulus. Wat ik jammer vind is dat de evangelische beweging (op lokaal niveau) te oppervlakkig is om zich met deze dingen bezig te houden. Soms denk ik erover om katholiek te worden... Goede boeken over dit onderwerp zijn er gelukkig wel te vinden.

Laat ik dan nu echt proberen te besluiten en wel met de bede uit het Onze Vader: Uw Koninkrijk kome. Wat zoveel betekent als: 'opdat uw Koninkrijk op aarde openbaar (manifest) moge worden'. Dat dit nu niet meer zal gebeuren voordat Jezus terugkomt, zult u na lezing van bovenstaand citaat hopelijk duidelijk zijn. Wij leven in de verwachting van Zijn komst. De kerk is hooguit een heraut van het komende Koninkrijk. Pas wanneer de Koning zelf komt, kan er werkelijk sprake zijn van Gods Koninkrijk op aarde.

vrijdag 23 januari 2009

Jezus op de Berg: een nieuwe Mozes

De woorden van Matheus dat Jezus de berg opging, herinneren ons aan een eerder moment in de geschiedenis van Israel waarin een berg de plaats was waar God aan het volk van Israel zijn woorden gaf. Er lijkt me geen twijfel dat Matheus ons Jezus schildert als de nieuwe Mozes. Had Mozes zelf niet gezegd dat er een profeet zou komen zoals hij? [zie Deut 18:18-19] In zijn boek Jezus van Nazareth zegt paus Benedictus XVI: ‘De Bergrede is de nieuwe Thora gebracht door Jezus… als de nieuwe Mozes wiens woorden de definitieve Thora vormen.’

Wie waren de oorspronkelijke lezers van wat Matheus schreef? Veel theologen menen dat Matheus zijn verslag schreef in Antiochie in Syrie, onder meer omdat juist dit evangelie rodn die stad al vroeg bekend was. Het wordt bijvoorbeeld opvallend veel gebruikt door bisschop Ignatius van Antiochie (ca. 115 na Chr.). In die stad ontstond al vroeg een christelijke gemeenschap, lezen we in het boek Handelingen; De eerste gemeente daar bestond, zoals eigenlijk overal, vooral uit Joden en Jodengenoten die grote problemen met hun vroegere Joodse leiders hadden nadat ze volgeling van Jezus waren geworden.

Het kan zijn dat Matheus juist met het oog op die gelovigen die door de Joodse leiders werden uitgespuugd, nogal nadruk legt op Jezus als de vervulling van alle dromen van het Oude Testament. Hij toont ons hoe Jezus profetie vervult; hij geeft ruim baan aan discussies van Jezus over kwesties als de sabbat, spijswetten, interpretaties van de wet, en over de manier waarop Farizeeërs met de wet omgingen. Is het dan vreemd dat Matheus opent met de manier waarop Jezus een ‘nieuwe wetgeving’ poneert, als een nieuwe Mozes?

Opvallend is ook dat Matheus vijf keer een stevige toespraak van Jezus beschrijft, ingeklemd tussen de verhalen over zijn geboorte en zijn dood en opstanding. Wil hij daarmee laten zien dat met Jezus een nieuwe Pentateuch wordt gegeven?

Met deze setting in Antiochie in het achterhoofd krijgt de uitspraak van Jezus dat de gerechtigheid van zijn volgelingen ‘overvloediger moet zijn dan die Farizeeën’ (Mt 5:20) een eigen invalshoek; het hielp in de eerste plaats de vroege kerk in Antiochie in zijn relationele problemen met Joodse leiders die de volgelingen van Jezus verweten dat ze ‘thora-loos’ waren geworden.

Jezus maakt zijn volgelingen niet wetteloos maar Hij legt de lat veel hoger dan wat de Joodse leiders gewend waren. We mogen hierbij best ook de woorden van Paulus over ‘gerechtigheid’ betrekken. Vanuit dit gezichtspunt is de Bergrede een beschrijving van hoe volgelingen van Jezus reageren op de vergeving die ze van God ontvangen door Jezus Christus. De Bergrede beschrijft hoe de christen van harte reageert op de genereuze liefde van God de Vader.

Bovendien, waar in het Oude Testament God aan Mozes zijn wetten gaf op de berg, waarna Mozes afdaalde naar het volk onderaan de berg, schildert Matheus ons een iets ander plaatje. Het volk was met Jezus op de berg. Mogen we daarin iets zien van de verzoening die Jezus tot stand bracht waardoor zijn volgelingen in Hem gemeenschap met de Vader hebben? Het lijkt me dat het beter is om met Jezus op de berg te zijn, dan onderaan de berg op Mozes te wachten. In dit verband is instructief hoe Matheus de verheerlijking op de berg (Mt 17) beschrijft als een ontmoeting van Jezus met Mozes en Elia, waarbij tenslotte alleen Jezus op de Berg is, en Mozes en Elia uit het beeld verdwijnen.

Het lijkt me dat we de Bergrede als een soort catechetisch handboek kunnen zien voor gelovigen die tot de gemeente toetraden. Dat onderwijs (didache) was van groot belang voor de vroege gelovigen, lezen we al in Handelingen 2:42. In Mt. 7:28 lezen we dat de menigte verbaasd was over het onderwijs (didache) van Jezus, en in Mt. 28:20 krijgen de apostelen om alle naties te onderwijzen wat Hij hen geboden had. In die context kan de Bergrede zoals Matheus die beschrijft, makkelijk als samenvatting van de christelijke moraalleer hebben gediend. Het geeft in elk geval een gezaghebbende beschrijving van hoe Jezus verwacht dat zijn volgelingen, vergeven en in een liefdesband met de Vader, hun leven zullen leiden te midden van de volken.

De Bergrede als korte catechese komt overeen met de setting in Matheus. Jezus verkondigt deze nieuwe levensstijl om de mensen die onder de indruk waren van zijn wonderen en tekenen duidelijk te maken wat van hen werd verwacht in het nieuwe Koninkrijk. (Vgl. Mt 4:23). Daarmee schiep Jezus dus een nieuwe gemeenschap, namelijk van degenen die Hem volgden. Wie van Hem onder de indruk is, laat dat tot uiting komen in een nieuwe levensstijl.

Met dank aan Jack Mahoney, SJ, ‘The Meaning of the Sermon on the Mount’, gevonden op www.thinkingfaith.org. (de website van de Jezuïeten in Groot Brittannië)


John Miller: Voor de uitgebreide en zeer interessante preek van Jos Strengholt over dit onderwerp, gehouden op 9 augustus 2009, klik op deze link: Jezus en de Wet - Zaligsprekingen